Programma
8 weken durend programma. Direct vanaf start in de kliniek
Wat is PREPARE?
PREPARE (PREParing for After-hours caRE) is een praktijkgericht programma waarin de dienst centraal staat als leeromgeving. Het programma sluit aan bij de fase waarin beginnende arts-assistenten zich bevinden en bij de eisen die het werken buiten kantooruren met zich meebrengt.
Door doelgerichte verbinding van onderwijs en praktijk worden arts-assistenten stap voor stap voorbereid op het functioneren in de dienst. Hierbij is expliciet aandacht voor het ontwikkelen van vaardigheden zoals prioriteren, samenwerken en klinisch redeneren onder tijdsdruk.
De opbouw van PREPARE is gestructureerd langs vijf samenhangende pijlers, die gezamenlijk bijdragen aan een gefaseerde en verantwoorde overgang naar de eerste diensten. Klik op de tegels hieronder voor een nadere toelichting per pijler.
De vijf pijlers
Deze vijf pijlers lopen parallel gedurende het programma en versterken elkaar in het ondersteunen van een veilige en gestructureerde overgang naar zelfstandig functioneren in de dienst.
Familiarisatie
In deze eerste pijler ligt de nadruk op het leren kennen van de werkomgeving waarin de dienst plaatsvindt. Dit gaat verder dan de eigen afdeling en richt zich op alle afdelingen die een rol spelen tijdens de dienst en waar de arts-assistent betrokken is bij de zorg voor patiënten.
Tijdens het inwerken is er specifieke aandacht voor:
- de organisatie van de dienst, inclusief systemen en logistiek per afdeling
- specifieke taken, zoals dragen consultsein, rol binnen reanimatieteam
- hoe en wanneer ondersteunende teams bereikbaar zijn, zoals het Spoed Interventie Team en het Team Palliatieve zorg.
Door gerichte meeloopmomenten ontstaat letterlijk beter zicht op de werkomgeving, inclusief beschikbare middelen en materialen. Dit draagt bij aan meer overzicht en helpt de cognitieve belasting tijdens de eerste diensten te verminderen, zodat ruimte ontstaat voor andere cognitieve taken.
Werkplekleren
In deze tweede pijler staat het opdoen van klinische ervaring in de periode voorafgaand aan de eerste diensten centraal. Arts-assistenten werken actief mee in de patiëntenzorg en doen ervaring op met klachtpresentaties en werkwijzen die regelmatig voorkomen in de dienst.
Het leren wordt ondersteund door een praktisch overzicht van generieke dienstvaardigheden, met handvatten om deze te vertalen naar de eigen context en veelvoorkomende pathologie. Wanneer bepaalde klinische situaties zich in de inwerkperiode niet voordoen, kunnen deze gericht worden besproken aan de hand van voorbeeldcasuïstiek, richtlijnen of protocollen.
Tijdens supervisiemomenten overdag kan expliciet aandacht worden besteed aan de voorbereiding op de dienst. Bijvoorbeeld door stil te staan bij hoe de opvang van een vergelijkbare patiënt in de dienst zou verlopen, en wanneer overleg met een supervisor aangewezen is.
Ook helpt het om arts-assistenten te bevragen op een ‘wat-als’-beleid (bijvoorbeeld: wat als het kalium bij controle nog steeds te laag is, of wat als de bloeddruk niet reageert op deze fluid challenge?). Dit stimuleert hen om vooruit te denken en verschillende scenario’s te overwegen.
Zo ontwikkelen zij adaptieve expertise en het vermogen om in de dienstsituatie weloverwogen beslissingen te nemen.
Onderwijslijn
Deze derde pijler vormt de ruggengraat van het programma. Het biedt een vast moment in de week voor verdieping, reflectie en het versterken van vaardigheden die nodig zijn voor het werken in de dienst.
Het onderwijsprogramma kent een duidelijke opbouw, waarbij vaardigheden stapsgewijs worden ontwikkeld van technisch naar niet-technisch en didactisch:
- Week 1–4: ABCDE-systematiek, interpretatie van diagnostiek, reanimatie en zorg rondom overlijden
- Week 5–7: teampresteren, overzicht bewaren, besluitvorming en handelen onder druk
- Week 8: didactische vaardigheden, gericht op het begeleiden van coassistenten
Waar mogelijk wordt het scenario-onderwijs in week 1, 3, 5 en 7 interprofessioneel aangeboden, bijvoorbeeld in samenwerking met verpleegkundige inwerkprogramma’s. In week 8 is het met oog op directe toepassing van vaardigheden waardevol een koppeling te maken met onderwijs voor coassistenten.
Binnen deze pijler is ook ruimte voor ervaren arts-assistenten om zelf als instructeur op te treden. Onze ervaring is dat hier veel animo voor is en dat dit hen de kans biedt om hun didactische vaardigheden verder te ontwikkelen en zich te profileren binnen het onderwijs.
Om implementatie te ondersteunen, stellen we kosteloos lesmaterialen beschikbaar voor de uitvoering van dit onderwijs. Deze zijn gebundeld in de PREPARE-kit, die kan worden gedownload en aangepast aan de lokale praktijk.
Intervisie
In deze vierde pijler staat reflectie centraal. Begeleide intervisie biedt arts-assistenten een vast moment om stil te staan bij hun ervaringen en deze gezamenlijk te verdiepen.
Terugkerende thema’s zijn onder andere:
- omgaan met toenemende verantwoordelijkheid en de bijbehorende onzekerheid
- het verhelderen van verwachtingen van zichzelf en de omgeving in relatie tot rol en niveau
- handelen binnen de grenzen van de eigen bekwaamheid
- het bewaken van de werk-privébalans
- de ontwikkeling van een professionele identiteit
Door ervaringen te delen en verschillende perspectieven te verkennen, krijgen arts-assistenten meer inzicht in hun eigen handelen en in de uitdagingen die zij in de dienst kunnen tegenkomen. Dit draagt bij aan veerkracht en een meer bewuste voorbereiding op het functioneren in de dienst.
De intervisie wordt idealiter na afloop van het programma voortgezet in dezelfde groepssamenstelling, ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling gedurende het eerste jaar.
(Toe)vertrouwen
In deze vijfde pijler staat het expliciet toevertrouwen van verantwoordelijkheid centraal.
Arts-assistenten groeien gedurende het programma stap voor stap in hun rol. Door deze ontwikkeling expliciet te benoemen en te onderbouwen met gerichte feedback, wordt zichtbaar wat iemand al kan en waar nog ruimte is voor groei. Dit versterkt het zelfvertrouwen en geeft houvast in het leerproces.
Het toevertrouwen van verantwoordelijkheden is gebaseerd op observaties in de praktijk, multisource feedback en zelfreflectie. Idealiter leidt dit tot een onderbouwd oordeel dat richting geeft aan het moment waarop een arts-assistent zelfstandig kan starten met diensten.
Het expliciet uitspreken van vertrouwen — en waar nodig het besluit om nog niet te starten — draagt bij aan een veilige leeromgeving. Daarbij is het belangrijk dat arts-assistenten zich vrij voelen om aan te geven wanneer zij nog niet klaar zijn voor deze stap, en dat supervisoren benadrukken dat iedereen daarin een eigen ontwikkelpad volgt.
Wanneer extra tijd nodig is, worden op basis van observaties en feedback gerichte leerdoelen geformuleerd. Zo kan doelgericht worden toegewerkt naar het niveau dat nodig is voor zelfstandige inzet in de dienst.